‘Er zijn in Rome veel slechte bioscopen’

Een interview met Antonio Monda door Janneke Luns en Raphael Hunsucker
3 februari 2026 in
Jildau Cuperus

Antonio Monda (Rome, 1962) is schrijver, filmmaker, journalist en hoogleraar film aan de New York University. Al jaren woont hij in New York, maar zijn blik blijft onverminderd gericht op zijn geboortestad Rome: de eeuwige filmset van de Italiaanse cinema. Als oprichter van het festival Le Conversazioni en voormalig artistiek directeur van het Rome Film Festival bracht Monda grootheden als Martin Scorsese, Francis Ford Coppola, Wes Anderson en Spike Lee naar Rome, en introduceerde hij Italiaanse regisseurs als Paolo Sorrentino, Matteo Garrone en Alice Rohrwacher in New York. In zijn romans en essays onderzoekt hij de wisselwerking tussen geloof, kunst en film, en vooral de manier waarop Rome zichzelf steeds opnieuw uitvindt op het witte doek. Voor dit themanummer van Roma Aeterna spraken wij Antonio vanuit zijn huis om de hoek bij Via della Fontanella di Borghese.

Je hebt een opmerkelijke carrière opgebouwd als schrijver, filmcriticus, documentairemaker, curator, festivaldirecteur en hoogleraar. Toch heb je aanvankelijk rechten gestudeerd. Wat trok je naar de cinema? Was dat een invloed van je familie of meer een persoonlijke interesse die groeide?

Mijn liefde voor cinema komt eigenlijk voort uit pijn. Als kind ging ik vaak met mijn vader naar de bioscoop, maar hij overleed toen ik pas vijftien was. Om deze traditie voort te zetten en iets te blijven doen dat ik vroeger met hem deed, ben ik tussen mijn zestiende en zeventiende jaar vrijwel voortdurend naar de film gegaan. Ik keek niet alles, maar ik heb mezelf in feite begraven in de bioscoop. Toen begon de passie en wist ik dat ik mijn leven wilde wijden aan films, aan de taal van het bewegend beeld, naast literatuur. Nog steeds, als ik naar de film ga, maakt het niet uit: hoe slecht een bioscoop ook is – en er zijn hier in Rome veel slechte bioscopen – de emotie van het kijken naar een vertoning in het donker raakt me nog altijd.

De bioscoop waar je jezelf als tiener in begroef, bestaat die nog steeds?

Nee. Destijds ging ik naar heel kleine bioscopen in Rome, de zogenaamde pidocchietti. Dat woord komt van die kleine insecten, die je in je haar kunt vinden als je het niet wast. Luizen! Zo’n naam kreeg een klein, vies bioscoopje.

Wat is nu je favoriete bioscoop?

In Rome zou ik zeggen Cinema Troisi. Ik weet niet of je die kent, maar het is een geweldige bioscoop in Trastevere. In New York is dat de bioscoop op 68 Broadway, die volgens mij veertien zalen heeft, plus een IMAX-zaal. Deze bioscoop is alleen heel mainstream, daar zie je de grote Hollywoodfilms. Maar als je klassieke films wilt zien, ga je naar het MoMA, het Lincoln Center of het Film Forum. Dat zijn de drie belangrijkste plekken.

Je hebt zowel in Rome als in New York gewoond en gewerkt. Hoe heeft deze dubbele identiteit je kijk op cinema beïnvloed? Zie je jezelf als een culturele bemiddelaar tussen Italië en de VS?

Of ik een bemiddelaar ben weet ik niet, maar ik heb wel veel retrospectieven naar de VS gebracht, meer dan twintig. Ik heb een serie gecreëerd die nog steeds loopt, Open Roads: New Italian Cinema. Die heb ik samen met Richard Peña [voormalig directeur van het New York Film Festival, red.] opgericht en gecureerd. Toen ik artistiek directeur van het filmfestival in Rome werd, ben ik daarmee gestopt vanwege belangenverstrengeling. Omgekeerd heb ik in Rome veel Amerikanen en internationale sterren ontvangen, van Meryl Streep tot de Coen Brothers. In die zin heb ik inderdaad een brug helpen bouwen. Ik woon sinds 1994 in New York, dus bijna 31 jaar. Maar ik kom drie tot vier maanden per jaar terug naar Rome. Eigenlijk heb ik een dubbelleven en een dubbele identiteit.

Wat is voor jou het grote verschil tussen deze twee steden als het gaat om cinema?

De Amerikaanse cinema is industrieel georganiseerd, maar dat bedoel ik niet negatief. Het systeem is grootschalig, maar het levert óók films van hoge kwaliteit. Italië daarentegen kent geen vergelijkbare industrie. Hier draait het veel meer om individuele talenten die hun stem laten horen. Namen als Alice Rohrwacher (La chimera, Lazzaro felice), Paolo Sorrentino (La grande bellezza, The Young Pope), Matteo Garrone (Gomorra) en Gianfranco Rosi (Fuocoammare) maken films die internationaal impact hebben, maar er is geen sterk systeem dat die kracht ondersteunt. In mijn colleges aan NYU probeer ik studenten te laten zien dat het Amerikaanse systeem ruimte kan bieden voor persoonlijke stemmen. Martin Scorsese is daarvan misschien wel het mooiste voorbeeld: hij is volledig gevormd binnen Hollywood, maar heeft altijd zijn eigen visie behouden.

Hoe verklaar je dan dat Italië, zonder zo’n sterke industrie, toch een broedplaats is voor uniek talent? Is dat de rol van cultuur, of de filmgeschiedenis?

Er is geen geheim. Talent kun je niet creëren. Het is periodiek. Op dit moment zijn er bijvoorbeeld ook veel getalenteerde filmmakers in Roemenië en Mexico. In de jaren tachtig en negentig kende Italië juist een periode van neergang. Natuurlijk helpt een industrie, maar dat is niet genoeg.

Veel films over Rome richten zich op religie of decadentie. Hoe zie jij de rol van religie in dit filmische beeld van de stad?

Twee scènes van Fellini schieten me meteen te binnen. In La dolce vita de opening met het Christusbeeld dat boven de stad vliegt, of de modeshow met priesters en nonnen in Roma. In beide gevallen is hij niet godslasterlijk. Hij toont religie als een onvermijdelijke aanwezigheid. Dat kun je niet negeren. De Amerikaanse cinema is veel seculierder, behalve natuurlijk bij iemand als Terrence Malick. In de hedendaagse Italiaanse film zie je bij Alice Rohrwacher een spiritueel element, en Gianfranco Rosi maakte een film over paus Franciscus. Paolo Sorrentino ging nog verder met zijn miniseries The Young Pope en The New Pope. Religie kun je hier niet overslaan. Zeker niet in Rome.

Hoe kijk je naar het perspectief van een buitenstaander die Rome in film vastlegt?

Fellini en Sorrentino zijn misschien wel de belangrijkste vertellers van Rome, maar beiden zijn geen Romeinen. Fellini kwam uit Rimini, Sorrentino uit Napels. De beste manier om een plaats te begrijpen is vaak door de ogen van iemand van buiten. De grote films over Rome zijn dus niet gemaakt door Romeinen. La grande bellezza is een buitengewoon portret van een decadente stad die toch eeuwig mooi blijft. Om die twee elementen te vangen moet je iemand van buiten zijn, iemand die de stad voor het eerst ontdekt. Hetzelfde geldt voor Fellini’s La dolce vita. Daarin zie je de journalist die door de decadente stad dwaalt en in feite zijn eigen leven vernietigt.

In Nederland was La grande bellezza een groot succes, maar veel Romeinen haten de film. Waarom is dat?

Ze zijn beledigd, omdat de film de naakte waarheid vertelt. Dat bewijst juist dat het een goede film is: hij raakt de wond, hij strooit er zout in. Romeinen haten de decadentie, de verveling, de pompeuze salons die worden afgebeeld. Er zijn ook scènes die spotten met kunstenaars zoals Marina Abramović. Sorrentino is scherp, soms wreed, en niet bang om de Romeinen te kwetsen. Maar hetzelfde gold indertijd voor La dolce vita. Ook die werd aanvankelijk gehaat. Misschien wordt La grande bellezza over twintig jaar ook in Rome geliefd.

Welke filmmakers van nu zie je als vernieuwend in hun beeld van Rome?

Naast de namen die ik al noemde vooral Alice Rohrwacher. Zij heeft een originele stem. Je kunt bij haar momenten herkennen die aan Fellini of Pasolini doen denken, maar ze maakt toch typische Rohrwacher-films. Haar eerste film Corpo celeste raad ik zeker aan.

Je was initiatiefnemer van literatuurfestival Le Conversazioni en artistiek directeur van het filmfestival van Rome. Hoe verhoudt cinema zich voor jou tot andere kunstvormen, zoals literatuur?

Technisch gezien doe ik veel verschillende dingen, maar eigenlijk gaat het altijd om hetzelfde: ideeën overbrengen. Of het nu gaat om een retrospectief, een festival, een artikel, een boek of een college aan NYU. Cinema is de taal van bewegende beelden, literatuur die van woorden. De relatie tussen woord en beeld fascineert me. Victor Hugo schreef in Notre-Dame de Paris de beroemde zin Ceci tuera cela, ‘dit zal dat doden’. In het boek legt aartsdiaken Claude Frollo zijn hand op een boek terwijl hij wijst naar de kathedraal van Notre-Dame. Waar vroeger de beeldhouwkunst en glas-in-loodramen van de kerk de verhalen van een tijdperk vertelden, zou voortaan het boek die taak overnemen. Vandaag de dag nemen beelden de plaats in van woorden. Het is een voortdurende vervanging en vooruitgang.

Een bijzonder onderwerp in Italië, als je het over woord en beeld hebt, is natuurlijk de alomtegenwoordige nasynchronisatie. Hoe kijk jij daar tegenaan?

De traditie van nasynchronisatie is deels verbonden met het Marshallplan, dat de culturele uitwisseling met de VS versterkte. Amerikaanse films werden geïmporteerd en populair bij het Italiaanse publiek, en omdat veel Italianen niet gewend waren aan ondertiteling, werd nasynchronisatie vrijwel onvermijdelijk. Tegenwoordig zijn er echter steeds meer plekken in Rome waar je films in de originele stemmen kunt horen.

Wat is je visie op streamingplatforms en hun rol in de Italiaanse cinema?

Streaming beleefde een geweldige opmars tijdens de pandemie, maar cinema vraagt om specifieke omstandigheden: een donkere zaal, een groot scherm, onbekende mensen om je heen. Zonder die elementen is het geen cinema, maar gewoon een film. Streaming kan interessant zijn voor series en films, maar de bioscoopervaring blijft uniek.

Wat vind je van de serie Suburra, die een heel ander beeld van Rome laat zien?

Dat is de onderwereld van Rome. Stefano Sollima is een getalenteerd filmmaker die dit genre goed beheerst. Het is een effectieve serie, maar het is slechts één aspect van de stad. Net zoals gangsterfilms een element van New York laten zien, maar niet de hele stad.

Rome werd ooit Hollywood aan de Tiber genoemd. Hoe zie je de rol van Rome in de internationale filmwereld vandaag?

In de jaren vijftig en zestig werden veel grote producties hier gedraaid, zoals Ben Hur. Cinecittà is nog steeds een ongelooflijke plek qua kwaliteit, maar andere Europese studio’s, vooral in Oost-Europa, zijn goedkoper. Grote producties wijken daarom uit naar landen als Roemenië of Tsjechië. Dat zegt niets over de kwaliteit in Italië, die is nog steeds indrukwekkend, maar de prijzen elders zijn aantrekkelijker.

Tot slot: Je schreef een boek met Ennio Morricone. Wat maakte dat project bijzonder?

Het is geen biografie, maar een verzameling van ongeveer twintig gesprekken die ik een jaar lang met hem voerde. Uiteindelijk heb ik ze samengebracht in een boek. Morricone vroeg mij dit te doen, omdat de uitgever vond dat ik de juiste persoon was. Hij koos ook de titel: Lontano dai sogni (‘Ver weg van de dromen’). Over titels gesproken, mijn boek Tu Credi? is naar het Nederlands vertaald! Ongeloof, die vertaling vergeet ik niet snel meer. Momenteel ben ik bezig met het voltooien van het laatste deel van mijn romancyclus over New York. Het zijn in totaal tien romans, die samen één geheel vormen en een eeuw beslaan, van het begin tot het einde van de twintigste eeuw. Elke roman behandelt één decennium. Het zou uiteraard een grote eer zijn als ook deze serie vertaald wordt naar het Nederlands, we zullen het zien!

in

Ben je docent?

Meld je aan voor de nascholingscursus Roma Sacra en leer alles over religiositeit in Rome. 



Deel deze post

Verder lezen?

Dit interview verscheen in Roma Aeterna 13.2: Cinema Roma. Deze uitgave is nu verkrijgbaar op luxe papier en online als PDF. 

Je dynamische snippet wordt hier weergegeven ... Dit bericht wordt weergegeven omdat je niet zowel een filter als een sjabloon hebt opgegeven om te gebruiken.