'M. de Stendhal' - Rome en Napels

Christiaan Caspers

In de provincie Friesland is het een welbekende grap. Wat is de mooiste plek van Groningen? Antwoord: de bushalte naar Drachten. Een even vileine observatie verrast de lezer op ongeveer driekwart van Stendhals reisboek Rome, Naples et Florence:

Velletri, 6 februari 1817
We hebben maar drie uur in Rome doorgebracht. Ik heb van een afstand de koepel van de S. Pieter bezichtigd, zonder er heen te gaan: dat had ik mijn reisgenoot beloofd. En wat ik van het Colosseum heb gezien was omdat de weg naar Napels er vlak langs loopt.

Mede gezien de drieledige titel van Stendhals boek mag dit een opmerkelijke passage heten! Kort daarop volgt dan nog een tweede uithaal naar de Eeuwige Stad:

Napels, 9 februari 1817
Grandioze entree: een uur lang daal je af richting de zee over een lange weg uitgehouwen uit de zachte rots waarop de stad gebouwd is… Dat is nog eens wat anders dan die zo hoog opgehemelde koektrommel die men in Rome de Poort van het Volk noemt.

Nu heeft iedereen recht op zijn voorkeuren, ook waar het de steden van Italië betreft; en een eerste blik op de baai van Napels kent nu eenmaal zijns gelijke niet, van welke kant je ook komt. Maar achter de uitgesproken stellingname van Stendhal in Rome, Naples et Florence schuilt een ingewikkelder verhaal.

Mystificatie

Rome, Naples et Florence is bekend geworden in zijn derde editie uit 1826 - waaruit ik in het bovenstaande ook citeer - maar gaat terug op een reisdagboek dat de schrijver in 1811 tijdens zijn allereerste Italië-reis had bijgehouden. Deze schrijver heette toen nog Marie-Henri Beyle en was eigenlijk nog helemaal geen schrijver, slechts een rusteloze en ambitieuze jeune bourgeois in overheidsdienst. Schrijver werd hij pas in 1817, toen hij zijn dagboekaantekeningen van destijds in geredigeerde vorm onder het pseudoniem 'M. de Stendhal, officier de cavalerie' en de titel Rome, Naples et Florence en 1817 voor het eerst het licht deed zien.

En daar begint ook meteen de mystificatie. De eerste aantekening in de editie van 1817 luidt:

Berlijn, 4 oktober 1816
Ik open de brief waarin mij vier maanden verlof wordt toegekend. Golven van blijdschap, hartkloppingen. Dat ik met dertig jaar nog zo'n dwaas ben! Ik zal dus het schone Italië te zien krijgen.

Ten tijde van zijn eerste Italië-reis was Beyle helemaal niet werkzaam in Berlijn. In 1816, het jaar waarin de reis zou zijn begonnen ook niet, trouwens. 'Berlijn' is niets meer of minder dan de fictieve standplaats van 'M. de Stendhal', die daarmee dus meteen in het eerste boek dat Beyle onder deze auteursnaam publiceert in feite de status verwerft van een fictief personage, en niet alleen maar dat van een literair pseudoniem. Om de relaties helder te houden, zal ik dit fictieve personage hierna tussen aanhalingstekens plaatsen.

Wie is nou deze fictieve 'M. de Stendhal' die in 1816-1817 de (werkelijke) Italië-reis van de jonge Henri Beyle overdoet? Hij is dertig jaar oud: enkele jaren jonger dan zijn schepper. Zijn naam verwijst naar het provinciestadje Steindal aan de Elbe, een goede 80 kilometer ten westen van Berlijn; de curieuze extra h is een gevolg van Beyle's gebrekkige kennis van de Duitse orthografie. In Steindal had in 1717, exact honderd jaar vóórdat de eerste publicatie van 'M. de Stendhal' zou verschijnen, de oudheidkundige en Italië-kenner Johann Joachim Winckelmann het levenslicht gezien.

O. J. Södermark, Marie-Henri Beyle (1840). Paleis van Versailles.

De overwegende interesses van 'Stendhal' zijn volstrekt anders dan die van zijn illustere voorganger. De beeldhouwkunst van de Grieks-Romeinse oudheid, de illustere geschiedenis van Grieken en Romeinen, de opgravingen van antieke monumenten en kunstvoorwerpen in Rome en Campanië; het kan 'Stendhal' allemaal gestolen worden, evenals overigens de Italiaanse renaissance- en barokkunst, waar ook Winckelmann zo weinig oog voor had. De enige werkelijke passie van 'M. de Stendhal' is de opera, en het voornaamste doel van zijn Italië-reis is de officiële heropening van het Napolitaanse S. Carlo-theater, dat na een brand in februari 1816 bijna een jaar lang gesloten was geweest. 

Zo noteert 'Stendhal' onder de datum van 12 januari 1817: 

En daar was dan de grote dag, de opening van het S. Carlo-theater… een van de hoofddoelen van mijn reis: een unieke belevenis voor mij, deed niet onder voor m'n verwachtingen

...waarna de welwillende lezer vervolgens gaandeweg nogal wat matig geïnspireerd toneelrecensieproza krijgt te verstouwen.

Onder deze ostentatief oppervlakkige belangstelling van 'M. de Stendhal' schuilt Henri Beyles politieke overtuiging dat Italië veel en veel beter af was onder de Code civil van Napoleon dan onder de verschillende vormen van al dan niet hersteld lokaal bewind die het post-Napoleontische tijdperk kenmerken. In de jaren tussen zijn reis en de publicatie van Rome, Naples et Florence en 1817 had Beyle van dichtbij Napoleons mislukte invasie van Rusland meegemaakt en sinds 1814 leefde hij als expat in het hertogdom Milaan, dat in 1815 bij het Congres van Wenen aan de Oostenrijkers werd toegekend. Beyles nostalgie naar het Napoleontische Italië van anno 1811 verklaart niet alleen zijn wens om zijn oorspronkelijke reisverslag met de wereld te delen, maar ook, gezien de weerstand die dat bij veel lezers op zou roepen, de noodzaak om dat in een zorgvuldig gedistantieerde vorm te doen.

'M. de Stendhal' wordt Stendhal

Hoewel Beyle in de maanden voorafgaand aan de compositie van Rome, Naples et Florence en 1817 enkele locaties uit het boek opnieuw had bezocht, volgt het dagboek van 'M. de Stendhal' getrouw het reisschema van Beyles reis in 1811. Onder de fictieve datum van 10 december 1816 lezen we:

Ik betreed Rome door die roemruchte Porta del Popolo: ik verblijf aan de Corso, in het Palazzo Ruspoli. Ach! Wat zijn we toch makkelijk te foppen. Vergeleken bij haast alle steden die ik ken stelt deze entree weinig voor. Mijlenver onder Berlijn. En wat te denken van de binnenkomst in Parijs, via de Arc de Triomphe? Het zijn de wijsneuzen die in het Rome van vandaag de dag met hun Latijn te koop lopen die ons van haar schoonheid hebben overtuigd.

Deze korte passage is een meesterstuk van gelaagde ironie. De teleurstelling van 'Stendhal' is die van de jonge Beyle zelf, getuige de oorspronkelijke dagboekaantekening (van 28 september 1811) die luidt: ’De Porta del Popolo heeft niets opmerkelijks’. De daaropvolgende verwijzing naar de entree van Berlijn sluit echter direct aan bij het begin van Rome, Naples et Florence en 1817, waarin de fictieve 'M. de Stendhal' anders dan Beyle zelf in Berlijn is gesitueerd. Vervolgens zinspeelt diezelfde fictieve 'Stendhal' met zijn sneer aan het adres van de 'wijsneuzen die in het Rome van vandaag de dag met hun Latijn te koop lopen' op de man aan wiens geboorteplaats hij zijn naam te danken heeft: de oudheidkundige en Italiëkenner Winckelmann. 

En wat de Arc de Triomphe betreft: inderdaad, que dira-t-on? De bouw van dit monument, in 1806 begonnen naar aanleiding van Napoleons overwinning op Oostenrijk en Rusland bij Austerlitz, was in 1811 stil komen te liggen en zou pas in 1830 weer worden hervat. Het enthousiasme van 'Stendhal' voor dit monument, staat daardoor in een des te schriller contrast met zijn dédain voor de 'roemruchte' entree van het wederom aan het pauselijk gezag toegevallen Rome, en is een evidente provocatie aan het adres van het post-Napoleontische establishment.

Piazza del Popolo te Rome, tekening van J. BaptistJ. Baptist, Piazza del Popolo te Rome (1729). Rijksmuseum, Amsterdam.

Maar wacht eens even… 'M. de Stendhal' was toch maar drie uur in Rome? En de betreffende notitie was toch gedateerd op 6 februari 1817 en niet op 10 december 1816?

Tweemaal correct! In 1826 heeft Beyle, bij het bezorgen van de 'derde editie' (na het dagboek en de eerste uitgave) van Rome, Naples et Florence (sic, dus met een ingekorte titel), waaruit aan het begin van dit opstel geciteerd werd, het reisschema van 'Stendhal' opnieuw onder handen genomen. Wat in Rome, Naples et Florence en 1817 nog een Romeins verblijf van ongeveer een maand was - van '10 december 1816' tot '8 januari 1817' - werd in het nieuwe boek een op het onbeschofte af kortstondig oponthoud in der Pausen stad, d.d. '6 februari 1817'. Een gevolg van deze herziening was, dat 'M. de Stendahl' volgens het reisschema en de dateringen van de nieuwe editie onherroepelijk te laat in Napels was voor de heropening van het S. Carlo-theater, die in de extra-literaire werkelijkheid (én in de tekst van Rome, Naples et Florence en 1817) op 12 januari 1817 plaatsvond , het 'hoofddoel' van zijn reis, nota bene! De eerder aangehaalde notitie luidt in de nieuwe versie dan ook, met een nieuwe datum:

12 februari [sic] 1817
En daar was dan de grote dag, de opening van het S. Carlo-theater… Vanaf het eerste moment waande ik mij verzeild geraakt in het paleis van een Oosterse keizer. Mijn ogen zijn verbijsterd, mijn ziel verrukt. Zo fris als denkbaar is, en tegelijkertijd zo majesteitelijk als denkbaar: twee dingen die je maar zelden tezamen ziet komen.

Rome, Naples et Florence en 1817 was een boek met een grote urgentie: als eerste wilde Beyle, via de laconieke observaties van 'M. de Stendhal, officier de cavalerie', de polsslag van het nieuwe, post-Napoleontische Italië opnemen en te boek stellen. Die urgentie was in 1826 niet meer aan de orde. In de 'derde editie' van Rome, Naples et Florence is de nostalgie naar het Italië van 1811 niet minder voelbaar – zo blijkt voor de goede verstaander uit passages als de zojuist geciteerde – maar Beyles opera-minnende dagboekschrijver legt een veel bezonkener besef aan de dag van wat er met de val van Napoleon verloren ging.

Opmerkelijk is daarbij dat 'M. de Stendhal' op de titelpagina van de editie van 1826 zijn epitheton 'officier de cavalerie' verloren is: Beyle's identificatie met zijn personage is er in de negen jaar die tussen beide edities verstreek bepaald sterker op geworden, zozeer dat het vandaag de dag niet meer dan vanzelfsprekend is om de schrijver van Rome, Naples et Florence - laat staan die van Le rouge et le noir en La chartreuse de Parme - zonder aanhalingstekens Stendhal te noemen. En wie maalt er negen jaar na dato (laat staan twee volle eeuwen) nou nog om of het S. Carlo-theater in januari of februari heropende.

C. de Stefano, Incendio del Real Teatro San Carlo (1818). Collezione Palazzo Zevallos, Napels.

Drie uur in Rome

Het jaar 1817 is niet de literatuurgeschiedenis ingegaan als het jaar waarin Henri Beyle Rome, Naples et Florence publiceerde. Dat is niet alleen omdat de 'derde editie' van 1826 in alle opzichten een rijker en vermakelijker boek is dan zijn voorganger, maar ook omdat het Italië-dagboek van 'Stendhal' later volledig overschaduwd is door de publicatie van Johann Wolfgang Goethe's Italienische Reise, het uitvoerige verslag van de reis die Goethe in 1786-1787 maakte naar het land waar de citroenen bloeien. Het eerste deel daarvan, die Goethe's lang verbeide tocht over de Alpen en zijn extatische eerste maanden in Rome beschrijft, verscheen in 1816 onder de titel Aus meinem Leben, Sweyter Abtheilung (Erster Theil): Auch ich in Arcadien! Het tweede deel, met het verslag van zijn reis naar Napels en Sicilië, verscheen in 1817.

Beyle heeft klaarblijkelijk kennisgenomen van het eerste deel van de Italienische Reise voordat Rome, Naples et Florence en 1817 ter perse ging: hij citeert er terloops uit, als 'M. de Stendhal' zich op de (fictieve) datum 22 mei 1817 in de republiek San Marino ophoudt. Als een van de zeldzame tekstuele referenties aan contemporaine geschriften in het boek brengt deze verwijzing het enorme contrast tussen de twee reizigers aan het licht: de onaflatend enthousiaste maar politiek naïeve Goethe versus de oppervlakkig geïnteresseerde maar politiek zelfverzekerde 'Stendhal'.

Heeft Beyle dit ironische contrast doelbewust aangebracht? Ik denk het wel. Sterker nog, ik vermoed dat de notitie d.d. '6 februari 1817', waarin 'M. de Stendhal' in de 'derde' editie van 1826 zijn ultrakorte oponthoud in Rome beschrijft, knipoogt naar Goethe's aantekening van 1 november 1786:

Ja ik ben eindelijk in deze wereldhoofdstad aangekomen!... Eenmaal de Alpen voorbij heb ik als het ware gevlogen. Verona, Vicenza, Padua en Venetië heb ik goed bekeken; Ferrara, Cento en Bologna vluchtig en Florence nauwelijks. Mijn begeerte om naar Rome te komen was zo groot en nam met elk ogenblik zo toe dat er geen verwijlen meer aan was en ik mij slechts drie uur in Florence ophield.

De 'drie uur' die Goethe in zijn ongeduld om naar Rome te komen voor Florence over had - een omissie in zijn enige Italië-trip waarover Goethe zich later meer dan eens berouwvol heeft uitgelaten - zijn bij 'Stendhal' de 'drie uur' op doorreis naar Napels geworden.

Napels und kein Ende

Even verderop in Rome, Naples et Florence (1826) verzucht 'M. de Stendhal':

20 februari 1817
Misschien is het wel omdat Napels een grote hoofdstad is zoals Parijs dat ik zo weinig te schrijven weet… Napels is de enige hoofdstad van Italië; alle andere grote steden zijn Lyons met een stadsmuur.

Ook deze notitie heeft geen evenknie in Rome, Naples et Florence en 1817 en ook hier ligt het voor de hand dat 'M. de Stendhal' een ironische tegenstelling met Goethes Italienische Reise opvoert, waarin Napels en Rome op z'n minst tegen elkaar opwegende grootheden zijn. Hoe dan ook is met al het herschrijven door Beyle van zijn Italiaanse dagboekaantekeningen de balans tussen de drie in de titel genoemde steden grondig zoekgeraak. In de editie van 1826 krijgt het relaas van de tijd die 'M. de Stendhal' in Milaan en Bologna doorbrengt minstens zoveel ruimte als zijn Napolitaanse notities, komt Florence er nog steeds bekaaid vanaf, en moet Rome het doen met een handvol bittere aantekeningen aan het slot.

In zekere zin wordt die balans rechtgetrokken met de publicatie van het lijvige Promenades dans Rome in 1829. Dit merkwaardige boek heeft, terwijl het een complete gids voor toekomstige Rome-reizigers wil zijn, net als Rome, Naples et Florence een fictieve dagboekstructuur (de aantekeningen lopen van '3 augustus 1827' tot '23 april 1829'). En net als Beyle's eerdere reisboek begint de hoofdtekst met een aperte onwaarheid: 'De auteur betrad Rome voor de eerste keer in 1802'. Anders dan in Rome, Naples et Florence treedt het ongenaakbare 'Stendhal'-persona(ge) waarvan Beyle zich eens te meer bedient nu vanaf de eerste bladzijde onbeschaamd op de voorgrond: 'De auteur van deze gids heeft een groot manco: niks, of bijna niks schijnt hem de moeite waard dat men er gewichtig over schrijft… Deze gids zal dan ook de noodzakelijke wijsneuzigheid ontberen'. Onthullender nog is het motto van Promenades dans Rome, een door Beyle uit zijn duim gezogen 'Shakespeare-citaat':

Escalus  'Vriend, je komt op mij een beetje misantropisch en afgunstig over?'
Mercutio  'Ik heb te vroeg in mijn leven de volmaakte schoonheid gezien.'

'Wanneer was dat dan?', vraagt de lezer zich af. Het blijft raadselachtig. Niet in Rome, klaarblijkelijk: maar in Napels, misschien?

Bronnen

De auteur citeert uit twee boeken:

Voyages en Italie van Stendhal (1973)
Italienische Reise van J. W. Goethe (1992)

Lees dit artikel op papier


Deel deze post

Verder lezen?

Dit artikel verscheen in het tijdschrift Roma Aeterna. Deze is verkrijgbaar op papier of als PDF.

Je dynamische snippet wordt hier weergegeven ... Dit bericht wordt weergegeven omdat je niet zowel een filter als een sjabloon hebt opgegeven om te gebruiken.
Oproep tot bijdragen | Rome als stad van migratie
Stuur nu jouw bijdrage in