Filmrecensie: La Chimera - Schatgraven naar Etruskische tombes en onbereikbare liefde

door Eline Verburg

Odoo + afbeelding en tekst

Regie: Alice Rohrwacher
Met: Josh O'Connor, Isabella Rossellini, Alba Rohrwacher
Duur: 130 minuten
Jaar: 2023
Taal: Italiaans

Sinds april draait een nieuwe film van Italiaanse makelij in de bioscoop, La Chimera. De Chimera van Arezzo is een van de bekendste Etruskische bronzen sculpturen, dat een fabeldier voorstelt bestaande uit een leeuw met een geitenkop en een slang als staart. Niet verwonderlijk daarom, dat Alice Rohrwacher, die al eerder indruk maakte met onder andere Le Meraviglie, dit fabeldier kiest als titel voor een film waar de liefde voor de Etrusken vanaf spat. Daarnaast betekent ‘è una Chimera’ iets onmogelijks of ongrijpbaars, zoals Arthurs liefde voor Beniamina, die letterlijk en figuurlijk als een rode draad door de film heen loopt. Het verhaal speelt zich niet af in Rome, maar in het gebied dat ooit Etrurië was, tussen de rivieren Arno en Tiber. De Engelse hoofdpersoon Arthur reist na een periode in de gevangenis te hebben gezeten terug naar zijn vrienden in een typisch Italiaans borgo in Toscane. 

Het zijn de jaren tachtig van de vorige eeuw, en op archeologisch gebied schetst de film het beeld dat alles nog mogelijk was: Arthur en zijn vrienden zijn namelijk tombaroli, grafrovers, die Etruskische tombes lokaliseren en geld verdienen met het verkopen van de inhoud ervan. De scènes laten een hechte, ietwat ongewone vriendengroep zien. Jonge mensen die samen optrekken en de omgeving op hun duimpje kennen. Het is Arthur, ongrijpbaar, eigengereid en een beetje mysterieus, die de tombes met een wichelroede lokaliseert. 

Hij is de romantische avonturier die gehuld in een tweedelig linnen pak aan D.H. Lawrence in Sketches of Etruscan Places (1932) doet denken. In dit boek, gepubliceerd na zijn dood in 1930, beschrijft Lawrence zijn reis door Etrurië in de lente van 1927. Lawrence lijdt aan tuberculose en weet dat hij stervende is, waardoor de reis langs Etruskische graftombes de vergankelijkheid van het leven extra benadrukt. Regisseur Alice Rohrwacher -opgegroeid vlakbij Orvieto, midden in het Etruskische landschap - heeft goed gekeken naar wat er in het verleden over de Etrusken is geschreven en verschillende aspecten daarvan verweven in haar film. Voor de oplettende kijker spelen vogels een belangrijke rol, mede benadrukt door het lied Volano gli uccelli van Franco Battiato dat tijdens de aftiteling te horen is. Vogels hadden in de Etruskische cultuur een belangrijke religieuze betekenis. Meerdere shots van overvliegende vogels verwijzen bijvoorbeeld naar de vogelschouw (auspiciën) waar de Etrusken volgens Griekse en Romeinse auteurs voorspellingen van konden aflezen. Het verband tussen de Etrusken en tovenarij wordt stevig benadrukt in de film: Arthur lokaliseert de tombes met een wichelroede, waardoor zijn vrienden hem een ‘mezzo-mago’, een halve tovenaar, noemen. Het dorpsfeest waar ze halverwege de film naartoe gaan, is het feest van de Epifania, Driekoningen, waarbij Arthurs vrienden zich als la Befana verkleden, een heks uit de Italiaanse folklore die kinderen cadeaus en snoep brengt. 

Rohrwacher heeft ook gekeken naar beschrijvingen van 19e-eeuwse ontdekkingen van Etruskische necropoli. Zo vervagen in een van de scènes de muurschilderingen in een tombe voor Arthurs ogen, een beeld van vergankelijkheid dat in romantische publicaties uit de 19e eeuw wordt omschreven. In die publicaties zouden muurschilderingen en soms zelfs hele skeletten in rook zijn opgegaan. Mooi is ook dat de camera soms ondersteboven draait en de wereld op zijn kop laat zien: dat is waarschijnlijk hoe de Etrusken zich de onderwereld voorstelden. 

Tegen het einde van deze prachtige film komen ook 20e-eeuwse ideeën over de Etrusken naar voren en worden ze als ‘bohemiens’ afgezet tegen de militaristische en op machismo geënte Romeinen. De Etruskische eenvoud van het leven, dichtbij de natuur, staat in tegenstelling tot het materialisme en het leven dat de tombaroli leiden. Centraal staat het dilemma tussen enerzijds avontuur en interesse in de Oudheid, en anderzijds geld verdienen door grafschennis en illegale handel. Moet het verleden niet gewoon met rust gelaten worden? Even lijkt het alsof er gevoelens van wroeging zichtbaar worden bij Arthur, vooral in de scene waarin dorpelingen hem vragen waar hij hun grafgiften heeft gelaten. Maar toch is er ook sympathie voor de grafrovers, zij zijn zoals ze het zelf bezingen slechts una goccia nel mare, ‘een druppel op de gloeiende plaat’.