Boekrecensie: Op de weg van Appia (Michaël Vandebril)

Michaël Vandebril, Op de weg van Appia. Een capriccio reisgedicht van Rome naar Brindisi. Met tekeningen van Bart Pluym. Vrijdag, 2021, 64 pp. 24,95 (E-book 12, 99).

Tycho Maas, augustus 2021

ga met mij reisgezel
over deze uitgesleten keien
van roma tot brundisium
ons wordt geen poëzie gevraagd
het is de oude weg die verzen schrijft

Zo luidt de aanhef van Op de weg van Appia, het verslag over de voettocht van Rome naar Brindisi die dichter Michaël Vandebril samen met tekenaar Bart Pluym in 2018 en 2020 maakte. Onderwerp van het reisgedicht van 455 regels zijn hun ervaringen langs de Via Appia. ‘De oudste en belangrijkste snelweg van het Romeinse Rijk’ (flaptekst) verbindt Rome met de hak van de Italiaanse laars, en is in de vierde en derde eeuw voor Christus aangelegd door de Romeinse censor Appia, parallel met de verovering van het Italisch schiereiland. Al met al is de weg zo’n 650 kilometer lang. Tegenwoordig is het deel bij Rome omgevormd tot het beschermde Parco regionale dell’Appia Antica, dat populair is bij dagjesmensen die de drukte van de stad ontvluchten, maar is de Appia verder vooral gewild bij pelgrims. Vandebril en Pluym behoren tot die laatste groep.

Bij pelgrims moeten we in deze context denken aan wereldlijke bedevaartgangers, niet aan middeleeuwse kruisvaarders. Schrijver en wandelaar-avonturier Torbjørn Ekelund verklaart in De geschiedenis van het pad (De Geus, 2019) de relatief recente opkomst van de wereldlijke pelgrimage als een persoonlijk, individueel middel tot bezinning. Een pad is een geschiedenis van onszelf, een concrete lijn waarlangs we kunnen terugblikken op ons eigen verleden, en ook kunnen vooruitblikken, naar een concreet doel op reis, en een abstracter levensdoel, en hoe we dat gaan bereiken.

De vereniging Pelgrimswegen naar Rome toont op haar website dat pelgrimsliteratuur van en naar de Eeuwige Stad de laatste decennia voortdurend toeneemt (pelgrimswegen.nl). Van de reisverslagen, reisgidsen, en culturele gidsen, domineert de eerste soort, waartoe ook Op de weg van Appia vooral behoort.

De vraag bij persoonlijke reisverslagen is telkens of het particuliere van de reiservaring tot iets universeels verheven wordt. Om maar het archetypische voorbeeld uit Neerlands moderne pelgrimstraditie te nemen: Voetreis naar Rome (1946) van de toen nog jeugdige Bertus Aafjes werd niet zozeer beroemd omdat hij binnen een maand fietsend, wandelend, en liftend reisde van Amsterdam naar de Eeuwige Stad, maar omdat het boek controverse genoot aangezien Aafjes erin ageerde tegen heersende katholieke opvattingen.

Op de weg van Appia lukt zoiets helaas niet. De dichter vermeldt in het nawoord terecht dat de weg een prachtig voorbeeld is van gelaagde cultuurgeschiedenis die zich uitstekend ervoor leent om in dichtvorm laagje voor laagje geopenbaard te worden, als een persoonlijke reis door het verleden. Maar in het gedicht blijven de bespiegelingen wat vlak, zoals bij de Monti Aurunci: ‘de klim is uitputtend / maar een fluitje van een cent / in het zweet des aanschijns / van de wegenbouwers / die deze lijn / uit de aarde stampten’.

Ook als poëzie weet het gedicht niet zo te overtuigen. Het is helder en chronologisch opgezet, lopend vanaf Rome, maar de vrije verzen lijken soms proza uit een dagboek (‘ik eet brood en olijven / met landwijn weggespoeld’), ineens afgewisseld met moeizaam aandoende vergelijkingen, zoals in het slot: ‘plots blaast de zeewind / in ons gezicht / hier waar neptunus’ blik / als dolfijnen tuimelt in de zee / eindigt de oude weg / evenzo dit reisgedicht’.

Dat is jammer, want in de aantekeningen laat de dichter zien dat die zijn voorgangers goed kent, en heeft verwerkt in specifieke verzen. De slotregels zijn bijvoorbeeld gebaseerd op Ezra Pound, ‘Canto CXVI’: ‘Came neptunus / his mind leaping / like dolphins’ (1925). Zo bevat het gedicht ook toespelingen op onder meer Goethes Römische Elegien (1795), het gedicht van Horatius langs de Appia (37 v.Chr.), en de fotoboeken van de Engelse archeoloog Thomas Ashby (1874-1931). Als losse verwijzingen maken ze het gedicht niet per se ge(s)laagder, maar zijn ze wel een leuke puzzel.

Als culturele gids en reisgids kan het boekje de beginnende pelgrim echter beslist van dienst zijn. Achterin heeft Vandebril zijn reisplan opgenomen, en de Appia in handige etappes ingedeeld. De aantekeningen en belezenheid van Vandebril nodigen bovendien beslist uit om de diepe voren die de ‘koningin der wegen’ (de titel is van de Romeinse dichter Statius) trok in het kunst- en cultuurlandschap zelf verder te ontdekken. Daarbij geeft hij handige aanknopingspunten, zoals de recent verschenen, gedegen reisgids van oudhistoricus Fik Meijer: Via Appia. Met Horatius langs de koningin der wegen (Athenaeum – Polak en Van Gennep, 2017). En de vormgeving van het boekje, tot slot, is uiterst verzorgd, met prachtige tekeningen van Bart Pluym, fijn papier, en een ruime bladspiegel: het is een genot om er doorheen te blijven struinen.

Op de weg van Appia is het derde werk van Vandebril, die voor zijn debuutbundel Het vertrek van Maeterlinck in 2013 de Herman de Coninck Debuutprijs ontving. Het Appiagedicht wil volgens de ondertitel ‘capriccio’ zijn: dat is een term uit de muziekwereld die vrijheid van vorm, een levendig karakter, en grillige sprongen aanduidt, aldus het nawoord. Met zijn gedicht is Vandebril hier inderdaad een andere weg ingeslagen dan in zijn eerdere bundels. Niettemin is het, vooral als reisgids en cultuurgids, een fijne – en ongewoon verzorgd uitgegeven – uitnodiging om de pelgrimsliteratuur verder te ontdekken, en zelf de Appia te gaan lopen.

 Over het Parco regionale dell’Appia Antica verscheen in Roma Aeterna 7.I een beeldbijdrage van Krien Clevis, met een artikel van Gert-Jan Burgers.

Leo Baeten en Guus Wesselink van de Vereniging Pelgrimswegen naar Rome schreven in Roma Aeterna 7.II een bijdrage over pelgrimswegen naar Rome.